Energievrijewoning.nl | Facts
15322
page,page-id-15322,page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-9.5,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive
Onderzoek

Nul Op De Meter Woning

40%
Vind het Nul Op De Meter concept aantrekkelijk
60%
Wil dat gemeenten zich actief hiervoor inzetten
70%
is actief bezig met energiebesparen
80%
Is bezorgd over betaalbare energie in de toekomst
Verdeling

Energielabels Nederland

Label A0%
Label C0%
Label E0%
Label B0%
label D0%
Label F0%
600

NOM woningen 2016

25000

NOM woningen 2017

25000

NOM woningen 2018

25000

NOM woningen 2019

 

De veranderende bouwsector

De woningen die de koplopers in seriematige nieuwbouw vandaag de dag opleveren, zijn niet meer te vergelijken met standaard nieuwbouwwoningen van een aantal jaren geleden. Op alle punten zijn ze een slag beter. Buiten zie je niet direct een verschil, afgezien van de zonnepanelen op dak, tot je de deur open doet. De geluidskwaliteit in de woning is beter, de woning is kierdicht en tochtvrij, de warmtebeleving is anders, er is bijna geen koudeval meer langs de ramen, het beheer en onderhoud van de installaties is beter geregeld, de zonnepanelen liggen vaak mooier in het dakvlak en voor de bewoners zijn de energielasten fors lager. Vooruitstrevende bouwbedrijven laten veel beweging zien in proces en product. Daarbij verandert niet alleen het energieplaatje, maar de hele manier van bouwen: nieuwe concepten, nieuwe technieken, nieuwe werkprocessen. Bouwen zonder fouten en afval en opleveren binnen een paar weken.

Conceptueel bouwen: de sleutel naar energieneutraal
Als het aan de koplopers ligt, kan alles. Voor ieder vraagstuk is een oplossing. Technisch is alles mogelijk. Verdere aanscherping van de EPC op nieuwbouw? Geen punt. Goedkope woningen? Snelle oplevertijd? Er is een nieuwe generatie bouwkundigen en ontwikkelaars aan de slag en voor hen is ieder probleem een uitdaging. Een woning is een product en bouwen een proces. Wie het beste product wil leveren, moet het proces optimaliseren. Iedere bouw wordt daarom geëvalueerd en tekortkomingen leiden tot verbeterpunten in een volgend project. De slag die de koploperbedrijven in de afgelopen jaren hebben gemaakt, is de slag naar conceptueel bouwen. Niet meer iedere keer het wiel uitvinden, maar het concept, met daarin een combinatie van bouwkundige en installatietechnische oplossingen en details, als basis vasthouden. Daarop wordt gevarieerd qua architectuur, indeling, grootte et cetera. De praktijk laat zien dat conceptueel bouwen inderdaad de sleutel is tot voortdurende verbeteringen. Het is ook de sleutel om de energieprestatie van woningen op te voeren.

Waarom doen bouwbedrijven dit?
De crisis in de vastgoedmarkt was een wake-up call. Wie mee wil tellen, moet excelleren: meer kwaliteit tegen minder kosten, beter inspelend op wat de klant wenst. En voor zover het gaat om energie, zijn de wettelijke eisen in het Bouwbesluit niet meer bepalend, maar de wensen van de opdrachtgever en/of de prestatie-eisen die een bedrijf zichzelf oplegt. Daarom begonnen veel ontwikkelaars een jaar of zes, zeven geleden met een vorm van conceptueel bouwen. Ook op het gebied van energie. Helemaal autonoom beweegt de markt niet, want een bepalende impuls is gegeven door overheden, institutionele opdrachtgevers en brancheorganisaties. Die hebben een versnelling bewerkstelligd. Onno Dwars (VolkerWessels Vastgoed): “In 2008 is het Lenteakkoord getekend. Dat was aanleiding om aan de slag te gaan met duurzaamheid in combinatie met conceptueel bouwen. Daarna (2012) was woningcorporatie Portaal de grote aandrijver met een aanbesteding voor energienotaloze woningen. Wij kregen de smaak daardoor goed te pakken.” Het W&R-concept van BAM Woningbouw is ontwikkeld in het kader van de ‘Stroomversnelling voor de renovatie’, een initiatief van enkele bouwpartijen en woningcorporaties. De KlaassenGroep werd getriggerd door een prijsvraag van corporatie Wonion. Renz Pijnenborgh (Archi Service) was lid van een ontwikkelteam dat in opdracht van de provincie Noord-Brabant in samenwerking met vier gemeenten en vier corporaties het concept van de Brabantwoning heeft ontwikkeld.

De concepten zijn met vaste co-makers en vaste teams binnen bouwbedrijven doorontwikkeld. Er is een voortdurende cyclus van plan–do–control–act (PDCA) gevolgd, waarin het concept op steeds nieuwe punten iets verder werd en nog steeds wordt verbeterd. Men is kritisch over z’n eigen product en schroomt niet aan te geven waar het beter kan. Er worden stap voor stap nieuwe technologieën toegevoegd en eerdere tekortkomingen opgelost: het optimale isolatiepakket, de optimale luchtdichtheid, vergaande beperking van installatiegeluid en stapsgewijze verbeteringen op het gebiedvan ventilatie. Ook het bouwproces is stap voor stap verder verbeterd, resulterend in een kortere doorlooptijd en beter georganiseerde betrokkenheid van bewoners.

Een voorbeeld: in het Wooniversum in Nieuwegein van VolkerWessels kunnen kopers hun toekomstige nieuwbouwwoning driedimensionaal ervaren. De wand tussen woonkamer en keuken toch een meter opzij? Geen punt. En zo zijn in enkele jaren verschillende energiezuinige woningbouwconcepten marktrijp geworden zoals de Brabantwoning (Pijnenborgh e.a.), CasaVita (KlaassenGroep), Basiswonen (Trebbe), PlusWonen en Energienota-nul (VolkerWessels), Huismerk, Wenswonen en Bright House (Heijmans Vastgoed), PCS-Hybride (Dura Vermeer) en W&R (BAM).

Energieneutraal, wat is dat eigenlijk?
De crème de la crème waar ontwikkelaars naar streven, is comfortabel en gezond wonen zonder dat het verder energie kost. Maar wat is een energieneutrale woning precies? De ontwikkelaars geven op verschillende manieren invulling aan dit begrip.
• Dura Vermeer realiseert volgens het woningen met een EPC van 0,0. De woningen zijn gelijk aan die van het PCS-concept, maar dan aangevuld met een energiepakket waarmee het (genormaliseerde) gebouwgebonden energieverbruik voor verwarming, koeling, ventilatie, warmtapwater en verlichting wordt gedekt door de opbrengst van pv-panelen op dak. Het huishoudelijk energieverbruik (voor huishoudelijke apparaten) is niet gecompenseerd, net zo min als het vastrecht. De bewoner moet dus nog steeds betalen. Dura Vermeer heeft daarom aanvullend een nul-op-de-metervariant ontwikkeld: de PCS-Hybridewoning met vijftien (in plaats van twaalf ) zonnepanelen en een voucher waarmee voor aanschaf van energiezuinig witgoed.

• Trebbe , VolkerWessels en W&R-Woningbouw (BAM) spreken van energienotaloze of energienota-nulwoningen. Het gaat de bewoners immers om wat alle maatregelen betekenen voor de rekening, zeggen zij. In deze woningen wordt zoveel elektriciteit geleverd, dat het surplus voldoende is om de energierekening te compenseren. Omgerekend heeft een energienota-nulwoning van deze ontwikkelaars een EPC van ongeveer -0,2.

• De KlaassenGroep spreekt liever van nul-op-de-meterwoningen en definieert het als een woning waar aan het eind van het jaar de energiemeter in principe op dezelfde stand staat als aan het begin van het jaar. Per saldo wordt er geen energie van het energienet afgenomen. Omdat ontwikkelaars van energienota-nulwoningen in hun berekening de heffingskorting meenemen, zijn nul-op-demeterwoningen dus nog net iets zuiniger. Bewoners krijgen aan het eind van het jaar het geld van de heffingskorting uitbetaald.

Impliciet gaan alle definities uit van tamelijk ingewikkelde rekensommen, waarbij de uitkomst afhankelijk is van bewonersgedrag, de hoogte van de aansluitkosten, heffingskortingen en tarieven voor teruglevering van zonnestroom. Het ene jaar is het andere niet en als de bewoners wekelijks een uurtje in de jacuzzi zitten, staat de meter aan het eind vast niet meer op nul. Theo Smits (Heijmans Vastgoed) zet om die reden kanttekeningen bij de gekozen definities: “Als de definitie berust op discutabele rekenarij, dan lever je de eindgebruiker uiteindelijk misschien geen goede dienst.” Ook Renz Pijnenborgh (Archi Service) kiest voor een integrale benadering, maar denkt daarvoor in een heel andere richting. Hij stelt dat duurzaamheid meer is dan alleen energie. Het gaat hem primair om een gezond binnenmilieu: licht, lucht en warmte. Voor zover het om energie gaat, kijkt hij naar de energie die nodig is voor oprichting, exploitatie en verwijdering van de woning. Vanuit dat brede perspectief komt hij tot andere bouwconcepten: geen beton, maar houtskeletbouw, systeembouw en/of kalkzandsteen.

Betere procesbeheersing

In alle gevallen is conceptontwikkeling de sleutel om te komen tot een excellente energieprestatie. Bovendien, door een eenmaal gekozen concept stap voor stap te verbeteren, ontstaat er winst op andere terreinen. Een mooi voorbeeld is het terugdringen van bouwafval bij W&R-woningbouw. Willem Otter: “Op onze bouwplaatsen staan geen bouwcontainers. Alles wordt precies op maat aangeleverd. Gevelelementen worden met kozijnen, glas, hang- en sluitwerk aangeleverd. Hetzelfde geldt voor plinten en hwa’s. Die hoeven op de bouwplaats niet meer verzaagd te worden. Per woning ontstaat er op de bouwplaats nog maximaal 0,5 m3 afval, vooral verpakkingsafval. We spreken met iedere co-maker af dat ze dat zelf meenemen.” Een betere procesbeheersing leidt er ook toe dat de eindgebruiker beter weet waar hij aan toe is. Het is duidelijk uit welke opties hij kan kiezen, op welk moment keuzes moeten worden gemaakt en tot welke (meer)kosten die keuzes eventueel leiden. Het lijkt tegenstrijdig: juist door beperking van de keuzevrijheid – het moet immers wel in het concept passen – kan de eindgebruiker beter in het proces worden meegenomen. De concepten zijn evenwel zo flexibel, dat er voor de koper meer dan genoeg te kiezen valt. En doordat het bouwproces beter is gestroomlijnd, geldt dat ook voor de samenwerking met de koper. Opvallend winstpunt van conceptueel bouwen is verder de aanzienlijke verkorting van de benodigde bouwtijd. Door een goede logistiek, een betere afstemming tussen vaste co-makers en door industriële vervaardiging van steeds grotere componenten is de levertijd van een woning tegenwoordig niet veel langer meer dan die van een goed bankstel. Trebbe en Heijmans bouwen met een doorlooptijd van drie maanden, de KlaassenGroep heeft drieënhalve maand nodig en Dura Vermeer bouwt in vijf maanden. De kortste doorlooptijd kennen de woningen van VolkerWessels (MorgenWonen): ruwbouw in één dag, afwerking en inrichting binnen twee weken. Tegenwoordig is het bouwproces niet meer de bepalende factor voor het moment van sleuteloverdracht; belangrijker is de tijd die netbeheerders nodig hebben om de woningen op de nutsvoorzieningen aan te sluiten. Dick Boelen (Dura Vermeer): “Netbeheerders willen pas halverwege de bouw in actie komen en hebben dan enkele maanden nodig om de woningen op het net aan te sluiten. Daar zit nu de bottleneck om sneller te kunnen bouwen.” Ook bij renovatie is een snelle doorlooptijd mogelijk. BAM (W&R) en Heijmans (Zero Ready) doen het in tien werkdagen, terwijl de bewoners in hun woning kunnen blijven.

De techniek van energieneutraal

Hoe willen koploperbedrijven een Nul-op-de-meterwoning realiseren? In de afgelopen jaren hebben zij een waaier van bouw- en installatietechnieken leren toepassen. Het zijn bewezen en kosteneffectieve technieken. De energieprestatie van een woning is echter geen optelsom van technieken. Een belangrijk leerpunt is, dat een woning in zijn basis goed moet zijn qua oriëntatie, lichtinval, schilisolatie en ventilatie. Daar bovenop kunnen bijpassende installaties voor verwarming, ventilatie en warmtapwater zorgen voor een energiebalans. Een tweede leerpunt: het gaat de bewoner niet om energie, maar om gezondheid, comfort, bedieningsgemak, uitstraling en prijs. Met andere woorden: het geheel moet kloppen. Om die reden is Heijmans terughoudend met al te veel innovatieve oplossingen en draait Renz Pijnenborgh de aanpak om: eerst een gezond binnenmilieu en integrale duurzaamheid; energie is een afgeleide. Een derde leerpunt: de kwaliteit van uitvoering is bepalend voor het eindresultaat. Bij ontwerp, bouw en oplevering wordt de kwaliteit gemeten en in het gebruik wordt de energieprestatie gemonitord. Bouwpartijen geven garanties en zijn vaak nog jarenlang betrokken bij onderhoud van installaties.

Thermische isolatie van de schil
Vanaf 2015 schrijft het Bouwbesluit een isolatiepakket voor met Rc-waarden van 3,5 (vloer), 4,5 (gevel) en 6 (dak). Dat is nog niet optimaal, zeggen de conceptontwikkelaars. Zij realiseren in hun woningen van vóór 2015 al hogere Rc-waarden. Maar wat is optimaal? In de afgelopen jaren is onderzocht hoeveel isolatie, passend binnen bestaande bouwsystemen, nog tot merkbare energiewinst leidt. Nico Blaauw (Trebbe): “In 2012 hebben we in Apeldoorn een serie passiefhuizen opgeleverd met een isolatiepakket met een Rc van 8 tot 10 in de gevel. Op basis van dit project en diverse berekeningen hebben we geconcludeerd dat er een zeker omslagpunt is. Dat ligt bij een Rc-waarde van 5 tot 6 in de gevel. In onze woningen wordt dat gerealiseerd met 16 centimeter glaswol in de spouw. De gevel wordt daarmee 40 centimeter dik. Méér isolatie is op een zeker moment niet meer terug te vinden in een nog lagere energierekening.” Onno Dwars (VolkerWessels Vastgoed): “Een nog dikker isolatiepakket vergt teveel ruimte in de gevel en wordt daardoor te duur.” Renz Pijnenborgh (Archi Service) gaat wel verder. Hij heeft berekend dat een optimaal isolatiepakket Rc-waarden heeft van 5 (vloer), 8 (gevel) en 10 (dak), maar dat vraagt om een ander bouwsysteem. In de Brabantwoningen heeft hij dat gerealiseerd met een gevel met 30 cm hennepisolatie tussen houten I-liggers. Aan de buitenzijde is 8 cm houtvezelisolatie aangebracht en binnen is de constructie afgewerkt met gipsvezelplaat.

Drievoudig glas

Via glas verliest een woning circa acht keer zoveel warmte als via een even groot goed geïsoleerd geveldeel. Glas wordt daarom terecht aangemerkt als de zwakke schakel van de thermische schil. Het verklaart de opmars van drievoudig glas (in bijpassende kozijnen). In vrijwel alle concepten waarin ontwikkelaars streven naar energieneutraal bouwen, is het standaard. Alleen Heijmans Vastgoed kiest in de concepten Wenswonen en Huismerk (nog) voor HR++. Alle andere conceptontwikkelaars kiezen voor glas met een U-waarde van 0,5 tot 0,9 W/m2K.

Serre

In het concept van het Bright House van Heijmans Vastgoed is gekozen voor een serre: een onverwarmde ruimte achter glas, maar buiten de thermische schil. Deze ruimte voegt isolatiewaarde toe aan de gevel en geeft de bewoner aanvullende leefruimte. Naar verwachting kan de deur tussen woning en serre circa negen maanden per jaar gewoon open en vormt de serre een verlengstuk van de woning. In de wintermaanden ligt dat anders. Dan is het er koud, want de serre is uitgevoerd met enkel glas en er is geen verwarming. Het is hooguit een mooie winterstalling voor kuipplanten uit de tuin. Belangrijk onderdeel van het concept is, dat de serre in de wintermaanden dient als bron van (voorverwarmde) ventilatielucht. Er is een intelligent systeem toegepast dat op basis van temperatuur kiest waar het de ventilatielucht aanzuigt. Dat is in de wintermaanden dus vaak uit de serre. De serre kent echter een gebruiksrisico. Want wat nu als de bewoner de serre ook in de winter beschouwt als deel van zijn woonkamer? Wat als hij de serre met een elektrisch straalkacheltje op temperatuur brengt? Theo Smits (Heijmans Vastgoed): “Dat is een belangrijk aandachtspunt in de communicatie met de bewoner.” Ervaringen zijn er nog niet, want het concept is alleen als proefproject gerealiseerd bij de TU Eindhoven.

Kierdichting en luchtdichtheid

Door nauwkeurig te werken, luchtlekken met rookproeven te registreren en daar het concept bij een volgend project op aan te passen, hebben alle bedrijven stap voor stap geleerd hoe zij een woning kierdicht en luchtdicht kunnen maken. Dat is niet alleen van belang om energielekken tegen te gaan, maar ook om de kans op condensatie in de thermische schil te voorkomen. In alle woningen wordt de luchtdoorlatendheid met een blowerdoortest gemeten. Gerrit van Wijgerden (Trebbe): “Bij een project in Wageningen hebben we een qv10-waarde van 0,6 gemeten. Door nauwkeurig te kijken waar lucht ontsnapt en in volgende projecten op die punten verbeteringen door te voeren, konden we in Ede en Maurik een qv10-waarde van 0,28 bereiken.” In andere conceptwoningen is de (gemeten) qv10-waarde 0,3 (Dura Vermeer) en 0,4 (Brabantwoning en Heijmans). De ontwikkelaars werken op dit gebied nog aan verdere verbeteringen. Volgens Theo Smits (Heijmans Vastgoed) is er een zeker optimum bij luchtdicht bouwen: “Bij woningen met plat dak is dat een qv10-waarde van 0,25. Bij woningen met een schuine kap is dat 0,3 tot 0,35. Deze waarden zijn bereikbaar binnen bestaande concepten, met goede aandacht bij de uitvoering. Iedere timmerman en metselaar die voor ons werkt, heeft een cursus luchtdicht bouwen gevolgd. Een nog grotere luchtdichtheid zal meer inspanning kosten en naar verhouding minder opleveren.”

Zonnepanelen

Toepassing van zonnepanelen is kosteneffectief. Dat is al zo voor particulieren in de bestaande bouw. In energieneutrale, seriematige nieuwbouw is toepassing van zonnepanelen welhaast een must. In de meeste concepten worden zonnepanelen dan ook ruimschoots gebruikt. De meeste conceptontwikkelaars installeren 20 tot 30 m2, genoeg voor huishoudelijk en gebouwgebonden elektriciteitsverbruik, waarbij verwarming plaatsvindt met een elektrische warmtepomp. De energiebehoefte is daarmee op jaarbasis in balans met de productie van zonnestroom. In de concepten Wenswonen en Huismerk van Heijmans Vastgoed worden pv-panelen als optie aangeboden. Standaard hebben de woningen een EPC van 0,4. Wanneer de bewoners kiezen voor de optie met zonnepanelen en daar de meerprijs van €5000 voor betalen, wordt de EPC 0,0. Dura Vermeer heeft bovenop de PCS-Hybridevariant een nul-op-de-meteroptie waarbij geen 18 maar 22,5 m2 pv wordt geïnstalleerd. Trebbe kiest in de woningen met een gasgestookte HR-ketel voor aanzienlijk meer panelen. Om de kosten voor inkoop van aardgas te compenseren, hebben de woningen een surplus aan zonnepanelen: 60 m2. Beide kanten van het zadeldak zijn benut en het dak levert
7.200 kWh per jaar. Daarvan wordt volgens berekening 3.850 kWh geleverd aan het net en dat is voldoende om de energierekening op nul te brengen. De woningen zijn dus niet energetisch, maar wel
kostentechnisch in balans. In de all-electricvariant van hetzelfde concept krijgen de woningen een zonnedak van 48 m2. Het is soms een zoektocht om alle panelen goed op het dak te leggen. Zo liggen in het PCS-Hybrideconcept van Dura Vermeer de panelen niet op iedere woning afzonderlijk, maar aaneengesloten over de zonzijde van de daken van alle woningen in een rij, dus over de bouwmuren heen. Met opstalrecht is dat juridisch geregeld. Bij de woningen van de KlaassenGroep ligt de nok van het zadeldak iets excentrisch. De zuidelijke helft van het dak is net iets groter dan de noordelijke helft waardoor er voldoende ruimte is voor het gewenste vermogen. In een project in Ulft bouwt de KlaassenGroep grondgebonden woningen én appartementen. Om ook voor de appartementen voldoende dakvlak beschikbaar te hebben, worden de daken van bergingen van de grondgebonden woningen benut. Ook dat wordt via opstalrecht juridisch geregeld. Dick Boelen (Dura Vermeer) heeft dat in een ander project ook overwogen, maar heeft er uiteindelijk van afgezien, omdat die (lage) daken snel in de schaduw van begroeiing komen. Een ander leerpunt: voorkom slagschaduw als gevolg van dakdoorvoeren voor rioolontluchting en de ventilatieafvoer. In de PCS-Hybridewoningen van Dura Vermeer zijn de doorvoeren aan de buitenzijde plat afgewerkt, zodat er geen schaduw meer ontstaat.

Ventilatie

Alle ontwikkelaars zijn zich bewust van de noodzaak van actieve ventilatie, 24 uur per dag. In de verschillende woningconcepten worden hiervoor grofweg twee systemen toegepast: systemen met mechanische afvoer en natuurlijke toevoer en systemen voor balansventilatie met warmteterugwinning. Trebbe en Heijmans Vastgoed kiezen voor een systeem met mechanische afvoer en natuurlijke toevoer, slim gestuurd op basis van CO2-detectie en relatieve luchtvochtigheid. Verse lucht komt binnen via zelfregelende roosters boven de ramen. In het Bright House-concept van Heijmans Vastgoed wordt in koude maanden de serre gebruikt als bron om verse ventilatielucht voor te verwarmen. Waarom geen balansventilatie? Theo Smits (Heijmans): “Bij natuurlijke ventilatie komt er koude lucht via een rooster binnen. Dat begrijpen mensen. En daarom wordt het niet als tocht ervaren. Het systeem van balansventilatie begrijpen veel mensen niet.” BAM Woningbouw (W&R), de KlaassenGroep, Dura Vermeer en VolkerWessels kiezen in hun concepten juist wel voor balansventilatie met warmteterugwinning. Onno Dwars: “Het is inefficiënt om eerst de gevel te isoleren en daarna koude buitenlucht via roosters in de gevel of boven ramen binnen te laten komen. Balansventilatie is een bewezen techniek; de bouw heeft echt wel wat innovaties doorgemaakt. In de afgelopen jaren is veel ervaring opgedaan hoe je het moet installeren en hoe de ventilatiekanalen moeten worden aangelegd.” Het systeem van Dura Vermeer werkt iets anders dan de andere balansventilatiesystemen. Hier wordt in ieder vertrek ventilatielucht mechanisch afgezogen. De verse lucht wordt aangevoerd via één centraal punt op de overloop van de verdieping en gedistribueerd via openingen onder de deuren. Dick Boelen (Dura Vermeer): “In de eerste generatie woningen van dit concept pasten we ventilatie met natuurlijke toevoer toe en klaagden mensen soms over koude tocht. Het is daarom beter de verse buitenlucht eerst voor te verwarmen, ook al waren we er in eerste instantie niet enthousiast over. Als je het goed aanlegt, levert het wel meer comfort. Dat blijkt nu ook uit de resultaten van de eerste tweehonderd woningen die wij zo hebben gemaakt.” Renz Pijnenborgh kiest in het concept van de Brabantwoningen voor een variant van mechanische ventilatie. Uit de afgevoerde ventilatielucht wordt warmte teruggewonnen. Deze wordt echter niet teruggegeven aan de verse lucht zoals bij balansventilatie, maar dient als bronwarmte voor een zogenoemde ventilatiewarmtepomp. Verse lucht komt onverwarmd de woning binnen. Om de kans op tocht te verkleinen, past Pijnenborgh een ventilatiegordijnkoof toe waarboven de verse lucht langs het plafond binnenkomt. Opmerkelijk is dat de ventilatie in de Brabantwoning wordt gestuurd op de warmtevraag: als er meer warmte wordt gevraagd, gaat de ventilatie dus harder werken zodat er meer bronwarmte voor de ventilatiewarmtepomp beschikbaar is.

Verwarming

Voor verwarming is toepassing van een warmtepomp duidelijk favoriet. In alle concepten wordt deze techniek toegepast. Uitzonderingen zijn de concepten Heijmans en de aardgasvariant van het concept van Trebbe. Hier wordt een cv-combiketel gebruikt met convectoren in de vertrekken. Waar gekozen is voor een warmtepomp kiezen de bedrijven voor uiteenlopende varianten. De KlaassenGroep, W&R-Woningbouw en VolkerWessels passen een lucht-waterwarmtepomp toe voor verwarming en warmtapwater. Buitenlucht wordt gebruikt als bronwarmte. Een dergelijk systeem is overal in Nederland te realiseren, onafhankelijk van lokale factoren zoals bodemgesteldheid. Bovendien vergt dit systeem minder kosten omdat er geen (dure) bron hoeft te worden geboord, zijn deze bouwers van oordeel. Dura Vermeer kiest in het PCS-Hybrideconcept vanwege de betere energieprestatie wel voor bodemenergie. Het systeem bestaat uit een individuele warmtepomp met een bodemlus die tot 150 meter diepte kan gaan. Er is een tapwaterboiler geïnstalleerd die verwarmd wordt met de warmtepomp. Op de begane grond en de verdieping is vloerverwarming. Dick Boelen: “Het aanleggen van de bodemlus is verbeterd. Er is een nieuwe boortechniek ontwikkeld, waardoor het boren sneller en dus goedkoper is geworden.” Groot voordeel: het systeem gebruikt veel minder energie en in de zomermaanden is passieve koeling mogelijk.Ook de afgiftesystemen in de woningen zijn verschillend. Meestal is er vloerverwarming, soms gecombineerd met convectoren op de verdieping. Theo Smits (Heijmans): “Vloerverwarming leidt soms tot klachten. Die komen voort uit de traagheid van het systeem. Voor bewoners met een continue warmtevraag is vloerverwarming een prima techniek, bijvoorbeeld ouderen, maar voor andere doelgroepen niet. Soms is vloerverwarming daarom alleen wenselijk in de woonkamer, niet in de slaapvertrekken.” Renz Pijnenborgh (Brabantwoningen) kiest voor wandverwarming in de hele woning. In de badkamer ligt bovendien vloerverwarming. De praktijk in de Brabantwoning leert dat er nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de verwarming op de verdieping. In latere uitvoeringen van dit concept (Oss) installeert Pijnenborgh daarom op de verdieping in het geheel geen afgiftesysteem meer. Voor noodgevallen, bijvoorbeeld als een slaapkamer wordt gebruikt als studeerkamer en het buiten extreem koud is, is er mobiel elektrisch stralingspaneel mogelijk. De hoeveelheid zonnepanelen is volgens

Warmtapwater

Het is opvallend dat de zonneboiler bij veel ontwikkelaars uit de gratie is geraakt. Nadat dit systeem zo’n 25 jaar in opmars is geweest, lijkt het in de zeer energiezuinige nieuwbouw op z’n retour. Dat heeft te maken met twee factoren. Een zonneboiler vormt een goede combinatie met een cv-ketel. In een woning zonder gasaansluiting vervalt die optie. De tweede factor is de dalende prijs van zonnepanelen en, daaraan gekoppeld, de strijd om het dakvlak. Gijs Takkenkamp (KlaassenGroep): “In de afweging hebben de zonnecollectoren het verloren van pv.” Heijmans Vastgoed zoekt het in een combinatie. In het Bright Houseconcept wordt een AERspire-dak toegepast: de pv-cellen in het dak worden gekoeld met water. Dit levert ongeveer evenveel elektrische energie als thermische energie. Het is een kostbare oplossing, maar zorgt wel voor efficiënt gebruik van de beperkte ruimte op dak. Het systeem verhoogt bovendien het rendement van de zonnepanelen en het levert warmtapwater op de koop toe. Alleen in het concept van de Brabantwoningen heeft Renz Pijnenborgh gekozen voor een zonnecollector: 5 m2 per woning en een buffervat van 200 liter voor tapwater en wandverwarming. Het buffervat wordt trouwens niet alleen door de zonnecollectoren gevoed, maar ook door de warmtepomp die deze woning heeft. Overigens is ook warmteterugwinning uit douchewater vrijwel standaard in alle concepten. Soms gaat het voorverwarmde water direct naar de douche; in het PCS-Hybrideconcept van Dura Vermeer wordt de warmte toegevoegd aan de bronwarmte van de warmtepomp.

MENINGEN NOM WONINGEN